Franeker - Koehool - Harlingen (22 km.)
Wie op het Friese platteland uit wandelen wil moet vroeg opstaan. Vroeger, in elk geval, dan wij. Enigszins beteuterd staan we op het station van Franeker, waar de belbus naar Wons zo'n tien minuten geleden is vertrokken. De volgende gaat pas over een uur en vijftig minuten. We besluiten de geplande route te schrappen en trekken Franeker in, op zoek naar een stafkaart.
De stafkaart is redelijk snel gevonden. Niet veel later kuieren we door een winkelstraat in Noordelijke richting. Voor de verandering regent het een keertje niet. Sterker: een decemberzonnetje roept associaties op met winter en vorst. Helaas is het nogal warm. De rayonhoofden doen sinterklaasinkopen. Achter de kerk bevindt zich een straatje dat "Godsacker" heet. Een straatnaam die respect afdwingt: stel je The Godsacker voor en je weet hoe God verdween uit Jorwerd.
We kruisen Het Vaartje van de Elfstedentocht en verlaten de stad over een nogal saaie uitvalsweg. Na een kleine kilometer kruisen we de A31 en staan we middenin de Bouwhoek. Links en rechts van ons ligt akkerland en overal, òveral staan windturbines. Van waar we staan tellen we er in één oogopslag minstens vijfendertig. De laagstaande zon werpt een nevelig licht op kop-hals-rompboerderijen in kale wilgenbosjes.
Een kilometer verderop ligt Dongjum. De afgelopen twee kilometer hebben we over het fietspad langs de drukke Tzummarumerweg gelopen. We kunnen rechtsaf of rechtdoor. We buigen ons over de kaart. Rechts ligt een weg van hetzelfde kaliber als de weg waar we nu op lopen: voornamelijk aangelegd voor snelverkeer van en naar Franeker. Ten einde raad laten we ons inspireren door de plaatsnamen. Ten oosten van ons liggen Boer, Peins en Slappeterp. Rechtdoor ligt Koehool. Koehool wint.
Na nog een kilometer snelverkeer en modderspatten slaan we linksaf een B-weg in. Volgens een bord heet het hier Klooster-Lidlum: een paar huizen tussen boomgroepen. Op dit smalle weggetje rijden de auto's al even hard als op de doorgaande weg naar Franeker. Recht voor ons ligt het windmolenpark van Oosterbierum. Het park werd in 1988 geopend als experimentele energiecentrale. Sinds 1994 is het in bezit van NUON. Windenergie is de grote paradox van het Groene Denken: juist bij natuurbeschermers stuit het plaatsen van windturbines op bezwaren.
Jaarlijks sneuvelen 21.000 vogels, meest kokmeeuwen en spreeuwen, na een aanvaring met een windmolen. Dat lijkt dramatisch, tot je de cijfers in perspectief ziet. Ieder jaar vliegt een miljoen vogels tegen hoogspannings- en zendmasten, nog eens anderhalf miljoen vogels worden omgelegd door jagers en ook het verkeer is, met 8,7 miljoen slachtoffers, een grote sloper. Een ander bezwaar tegen windenergie is de horizonvervuiling die de molens opleveren. Wie in het noordwesten van Friesland om zich heen kijkt moet toegeven dat daar iets voor te zeggen valt. Ach, kerncentrales zijn ook niet fraai - hoewel ze doorgaans wat minder herrie maken.
De weg buigt af naar rechts. Twee kilometer lang lopen we door weiden en akkers die door de buien van de afgelopen weken zo'n beetje verzadigd zijn. Op regelmatige afstanden liggen lange rijen gerooide uien. Honderden kieviten zitten elkaar luidruchtig op te fokken. Voor ons liggen Oosterbierum en Tzummarum. Heel in de verte ligt de Waddenzeedijk als een vette streep onder het landschap. Bij een fabriek slaan we rechtsaf richting Tzummarum. We passeren boerderijen-met-windmolens en loonbedrijven. In een tuin scharrelen twee zwarte zwanen.
In Tzummarum, een aardig dorp, eten we iets in het eetcafé. Om één uur, na de middagpauze, halen we een paar biertjes bij de supermarkt. Rechts van de kerk nemen we een weg in noordwestelijke richting. Achter de kerk wordt een nieuwbouwwijkje neergezet, en we genieten van de tweehonderd meter die we onverhard kunnen lopen. Buiten het dorp staan we lang stil als een troep zwanen overvliegt.
De zon staat inmiddels wat hoger, maar het licht blijft prettig nevelig. Bij een kruising liggen wat huizen die staan aangegeven als Harkemastate - waarschijnlijk de naam van de grote boerderij. Hier komen we een paar jagers tegen, die in vol ornaat (modderige laarzen, hoedjes met veer, groene tweed en dubbelloops) op pad zijn. Eén ervan wil best poseren voor een foto. De rest ziet ons waarschijnlijk aan voor een stel blèrende pacifisten en weigert nukkig.
De dijk komt dichterbij, en daarmee ons voornaamste doel voor vandaag. Koehool lijkt in niets op Jeruzalem, maar als we op het geasfalteerde talud van de Waddenzeedijk gaan zitten en het eerste biertje van vandaag opentrekken hebben we werkelijk het gevoel dat we iets bereikt hebben. We vallen even stil en kijken uit over de Waddenzee. Om de paar honderd meter steekt een basalten strekdam in zee. Een klein stukje wad is drooggevallen en wordt afgestruind door een paar scholeksters. Even verderop liggen honderden wilde eenden en smienten. We zien een grote troep ganzen overvliegen. Hun gebalk heeft een sereen winters effect. Niet veel later verscheuren twee schoten uit een dubbelloops de stilte.
We genieten in alle rust van ons biertje, maar niet voor lang: een autochtone Koehoolse laat haar hondjes uit op de dijk. Eén van de terriërs schiet luid keffend onze kant uit. Wie denkt dat Friezen stug en in zichzelf gekeerd zijn komt bedrogen uit. Er ontstaat zelfs een soort conversatie:
- Goemoarn, wêrom laitsje jo sa lûd, slûgert?
- Inderdaad, stukken beter dan de afgelopen dagen!
- Wolle jo mei myn dochters fierljeppen yn it Fryske gea?
- Nee, Amsterdam en Amersfoort, en Jurjen woont in Leeuwarden.
- Of verstaan jullie soms geen Fries?
We moeten haar teleurstellen. Ze loopt zacht mopperend door, terwijl één van de hondjes nog even zijn tanden laat zien.
Maar we moeten verder. We besluiten om tot Harlingen de Waddenzeedijk te volgen. Met de dijk kwam een einde aan duizend jaar landaanwinning. Het noorden van Friesland is stukje bij beetje ingepolderd. Uiteindelijk werd in 1975 de huidige zeedijk op deltahoogte gebracht. Toen was Friesland af. De dijk zelf is vooral erg massief: de stevige basaltblokken gaan over in een breed talud van asfalt. Daarboven begint de eigenlijke grasdijk. Bovenop de dijk ligt een (onverhard) pad dat we de eerste paar kilometer gebruiken.
Van het wad is niets meer te zien. Op de strekdammen en in het water zitten enorme groepen vogels: eenden, reigers, verschillende soorten meeuwen en reeksen scholeksters die luid piepend opvliegen als we dichterbij komen. Eens in de zoveel tijd vliegt een grote trek ganzen voorbij. Boven de helling aan de andere kant bidt een torenvalk. Opeens duikt-ie tussen het hoge gras; even later komt hij op ooghoogte voorbij. Zonder muis. Heel af en toe zien we één of twee mensen op de dijk. Beneden liggen aan de ene kant de natte akkers, de boerderijen en de windmolens. Aan de andere kant ligt de spiegelgladde zee.
We lopen nu afwisselend bovenop de dijk en op de helling aan de zeezijde. Als we op de helling lopen zien we niets van het land en lijkt de ruimte onmetelijk. Grappig: twee mensen kunnen op deze dijk vijf meter van elkaar verwijderd lopen en aan het einde van de dag hebben ze twee totaal verschillende wandelingen meegemaakt.
De zon gaat onder in veertig kleuren oudrose. De laatste - en tevens grootste - vlucht ganzen van vandaag komt zachtjes snaterend over. We kunnen ze nog lang horen. We passeren de wateruitlaat van gemaal Roptazijl. Twee kilometer verder wordt onze opmars gestuit door de haven van Harlingen. We hebben erge trek in bier en bitterballen, maar we moeten nog een omweg van twee kilometer maken voor we in de buurt van een café komen. Die laatste kilometers lopen langs een prikkeldraadhek waarachter een geheimzinnig industriecomplex ligt. Als we na een bocht de lichtjes van de eerste kroeg zien, gaat vlak voor onze neus de brug open. Dat kan er ook nog wel bij.
|